Pages Navigation Menu

Sharaf Mechelen

Mekka, de stad van Abrahama

Mekka is een stad die ligt op het Arabisch Schiereiland, een 100-tal km landinwaarts van de havenstad Jedda (de aankomstplaats voor de meeste pelgrims). Het is voor moslims zonder meer de belangrijkste plaats ter wereld, dat is te danken aan de moskee, de Masjid Al Haram, waarvan in het midden de overbekende kubusvormige tempel staat: de Ka’aba. Maar we gaan te snel. Laten we eerst teruggaan in de tijd, voordat er van islam sprake is.

De stamvader, het begin 
De profeet Abraham (Arabisch: Ibrahim, Hebreeuws: Awraham) wordt algemeen beschouwd als de stamvader van zowel de Joden als de Arabieren. Hij is daarmee ook de wortel van de boom die uitgroeide tot het jodendom via Mozes; het christendom via Jezus en de islam via Mohammed. God maakt een belofte in Genesis (het eerste hoofstuk van het Oud Testament) aan de aartsvader: “Ik zal je nakomelingen tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn … en in jou zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.”

In de Koran wordt veelvuldig naar Abraham verwezen. Moslims noemen hem Khalil Allah: de vriend van God. Daarom ook dat de Palestijnse stad Hebron, waar Abraham begraven ligt, ook gekend is als Al Khalil. Abraham zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist dat zijn verre nazaten in een bloedige strijd verwikkeld zijn om deze stad.

Wat is nu de link tussen Abraham en Mekka? Heel simpel: Mekka is de stad van Abraham.
Laten we een stap terugzetten. Sara, de echtgenote van Abraham, kon geen kinderen krijgen. Toen ze te oud was geworden en hun kinderwens definitief opgeborgen schonk ze haar jonge Egyptische slavin, genaamd Hagar, als tweede vrouw aan Abraham. Hagar kreeg een zoon, Ismaël. Zijn naam heeft de betekenis van “God heeft geluisterd” of “God luistert”.

Genesis: “De Heer heeft mijn moederschoot gesloten zei Sara. Je moet maar met mijn slavin slapen, misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen. En ze gaf hem haar Egyptische slavin tot vrouw. Hij sliep met Hagar en zij werd zwanger.”

Door een latere Goddelijke interventie werd er alsnog een kind geschonken aan Sara: Isaäk. Waar de eerstgeborene de stamvader van de Arabieren is geworden, is de tweede stamvader van de Joden. In deze nieuwe situatie eist Sara dat Hagar en haar zoon het huishouden verlaten en hun tenten ergens anders moeten opslaan. Jaloezie, onderlinge twisten en het vraagstuk van erfgenamen speelden in Sara’s beslissing een rol volgens het Oud Testament. Kortom, niets nieuws onder de zon en nog altijd heel herkenbaar en des mensen. Het voorstel beviel Abraham allerminst maar na bemoedigende woorden van God liet hij Hagar met haar zoon vertrekken vanuit Kanaän naar het zuiden, in de richting van de woestijn van Berseba.

De naam Ismaël roept nog altijd connotaties op met ballingen en verschoppelingen. Een bekend voorbeeld is de Amerikaanse literatuurklassieker Moby-*** met de openingszin: “Noem me Ismaël”. De verteller, Ismaël, vlucht de zee op om zich te vervreemden van de bewoonde wereld.

Terwijl Hagar en haar zoon rondzwerfden in de woestijn was op een gegeven moment hun water op en waren ze zo goed als ten dode opgeschreven. Terwijl Hagar op een boogscheut van haar zoon ging zitten wenen -ze kon het huilen van de jongen niet aanhoren- klinkt er een stem. Een engel sprak: Vrees niet, want God heeft des jongen’s stem gehoord. En toen ze haar ogen opende zag ze een bron overlopen met water. En ze gaf de jongen het kostbare vloeistof te drinken.

Tot nu toe citeerden we enkel uit Genesis. Maar hetzelfde verhaal, met hier en daar andere accenten, is integraal terug te vinden in de Koran. Bijvoorbeeld: in de islamitische versie loopt Hagar tussen twee heuvels, Safa en Marwa, heen en weer koortsachtig op zoek naar water.

Ook in het Nieuw Testament komt Hagar aan bod, in “Brief van Paulus aan de Galaten” krijgt ze een sneer van de kerkvader Paulus:
“Er staat geschreven dat Abraham twee zonen had één bij de slavin en één bij de vrijegeboren vrouw. Maar de zoon der slavin was verwekt naar het vlees, doch die van de vrije vrouw uit kracht der Belofte. … Welnu broeders, gij zijt zoals Isaäk, kinderen der Belofte… Maar wat zegt de Schrift? Jaag weg de slavin met haar zoon: want de zoon der slavin zal niet meeërven met den zoon der vrije vrouw. Broeders, we zijn dus geen slavenkinderen, maar kinderen der vrije vrouw!”

Bekka, het oude Mekka?
Hoe dan ook, de plaats waar de wonderlijke bron ontspringt is de vallei van Bekka. De Bekka vallei ligt op een karavaan route, op een veertigtal dagen rijden van Kanaän. Een kleine verschuiving van de eerste letter waardoor de oude naam Bekka overging naar Mekka ligt voor de hand, zeker in een Semitische taal. De Koran zelf noemt Mekka onder haar oude naam Bekka.
Koran: “Het eerste heiligdom voor mensen is het huis van Bekka, een gezegende plaats en een richtsnoer voor de hele wereld”
De oudste naam van Bekka was trouwens Kedar, genoemd naar een zoon van Ismaël, maar dit terzijde.

Merk ook op dat Bekka in het Hebreeuws de betekenis van “tranen” heeft en in de Semitische zustertaal, het Arabisch, staat het voor “wenen”. Met het verhaal van Hagar als achtergrond is het niet verwonderlijk dat dit de naam is geworden van deze vallei. Ook de Psalmen van de profeet David verwijzen ernaar: “Gezegend zijn zij wiens kracht in U is, met in hun hart de bedevaart. Zij gaan door de Vallei van Bekka”. In sommige bijbelvertalingen noemen ze het de “Vallei der Tranen”. In moderne vertalingen van de Bijbel staat er de “Vallei der Dorheid”, dat een indicatie geeft over de toestand voordat er een bron was.

Hoe Hagar juist op deze plaats is gekomen is onduidelijk. Het kan zijn dat Hagar en haar zoon mee met zo’n karavaan reisden. In elk geval weten we dat Abraham hun waarschijnlijk vergezelde of toch zeker bezocht.

Zamzam, de bron des levens
De mirakeleuze bron is bekend onder de naam Zamzam. De naam Zamzam komt van de roep van Hagar om de enorme hoeveelheid water te doen stoppen die als een hoorn des overvloeds met volle kracht uit de grond spoot. Het is geen bron uit legendes en mythen want nog altijd laven miljoenen pelgrims zich dagelijks aan het water. Het grootste genot en beste geschenk dat je kunt geven aan een moslim is het gezegende Zamzam water. Het is deze bron die reizigers een dankbare verkwikking aanbood waarmee de geboorte van Bekka als reguliere stopplaats voor karavanen werd bezegeld.

Het is ook deze bron die de plaats markeerde waar Abraham, samen met zijn zoon Ismaël, de Bait-oel-Allah (Huis van God) bouwde.
Volgens de traditie is dit dezelfde plaats waar de fundamenten stonden van een oudere tempel ooit gebouwd door Adam.

Tegenwoordig ligt de bron nog altijd binnen de moskee maar -om niet in de weg te staan van de miljoenen pelgrims- wordt het water met een pomp naar een gebouw aan de oostkant van de moskee overgebracht. De bron zelf kan men niet meer bezoeken maar de hele moskee staat vol met watercontainers en bekers om de pelgrims hun dorst te laten lessen met dit kostbaar goedje. Hydrogeologisch komt het water uit de Wadi Ibrahim (de Vallei van Abraham). Het water van de Zamzam bron heeft geen aparte kleur of geur maar wel een eigen kenmerkende smaak. Pelgrims nemen zoveel mogelijk mee naar huis om uit te delen aan familie, kennissen en bezoekers. Commerciële handel van Zamzam water is in principe verboden maar bestaat op kleine schaal.

De Ka’aba
Abraham en zijn zoon Ismaël, in opdracht van God, bouwden een heiligdom op deze plaats, vlakbij de bron Zamzam: de Ka’aba.
De functie van de tempel was van in het begin om een plaats te zijn voor pelgrims. Abraham heeft daarmee zowel in Palestina als in het Arabisch Schiereiland een spirituele erfenis nagelaten. Een spiritualiteit die tot heden ten dage doorloopt en springlevend is in de hele regio dat tot een lappendeken en staalkaart is geworden van religies en sekten allerhande die allemaal takken en takjes van dezelfde boom zijn.

Volgens de pre-islamitische overleveringen bracht, na het beëindigen van de bouw van de tempel, een engel de Zwarte Steen (Arabisch: Al Hajar oel Aswad) die uit het paradijs afkomstig is, ooit witter dan wit, maar door de zonden van de kinderen van Adam pikzwart geworden. De steen is ingemetseld in de oostelijke hoek van de Ka’aba en is het heiligste object op deze heilige plek. Vandaar dat pelgrims proberen om deze steen te kussen of aan te raken. Uit welk materiaal de Zwarte Steen bestaat is niet duidelijk maar dat hij nog altijd bestaat -hoewel ooit in stukken gebroken- is een teken van zijn hardheid. Toch is de steen licht genoeg om te drijven in water (het was ooit gestolen in de Middeleeuwen en bij het opsporen ervan was het drijven een bewijs dat het over de juiste steen ging). Sommigen houden het bij een overblijfsel van een meteoor omdat die bij inslag wit kunnen zijn en langzaam oxideren tot zwart.

Eens de steen geplaatst was de tempel klaar voor de bedevaart. In de Koran geeft God deze opdracht aan Abraham als volgt: “En verkondig de bedevaart aan de mensen: zij zullen tot u komen, te voet of per rijdier, van heinde en verre”

Dit heiligdom is ongeveer 4.000 jaar oud. Een duizendtal jaar ouder dan de tempel van Jeruzalem dus, gebouwd door koning-profeet Salomon (Arabisch: Sulayman, Hebreeuws: Shlomo) in opdracht van zijn vader koning-profeet David (Arabisch: Dawood). De tempel van Jeruzalem, de eerste tempel voor de joden, is eigenlijk de tweede tempel in de geschiedenis van de afstammelingen van Abraham. Nu nog worden beide sites intensief gebruikt als bedevaartsoord door de nazaten van Abraham. Dit is geen stoffige geschiedenis van heel lang geleden maar een levende, zich nog altijd onophoudelijk voltrekkend ritueel. Zij die Mekka vandaag bezoeken zullen getuigen zijn dat 24 uur op 24, 7 dagen op 7, dag en nacht, zomer en winter mensen onophoudelijk de Ka’aba omcirkelen.

De naam van het heiligdom Ka’aba is te vertalen als “de kubus” wat ongeveer overeenkomt met zijn afmetingen: 11m x 13m x 13m hoogte. De typisch zwarte vierkante vorm is iets dat we niet terug vinden in de natuur en dus cultureel symbool van een door mensenhanden gebouwde object. De vier hoeken staan in de vier windrichtingen: noord, oost, zuid en westen. Volgens de Psalmen is het een van de aandoenlijkste tabernakelen van God. De tabernakel is een omheining voor heilige grond met in het midden een kubus, het heilige der heilige, waarin de Ark van het Verbond stond.

De basis van de Ka’aba bestaat uit marmer, de rest van de struktuur uit graniet afkomstig uit de heuvels rond Mekka. Het gebouw is niet echt groot maar als je ervoor staat, en moslims kennen dit beeld door en door, dan lijkt het net een stereo-plaatje in View-Master met het bekende 3D effect. Het is een vreemd gevoel dat de mensen tegenover je -aan de andere kant van het gebouw- naar je toe bidden, dat kan nergens anders ter wereld. Net naast de Ka’aba is er een halve cirkel door een lage muur afgebakend, waaronder de graven liggen van Ismaël en zijn moeder Hagar. Deze marmeren muur staat niet in verbinding met de tempel. Vroeger was dit evenwel een deel van de tempel en daarom dat de pelgrims er tijdens hun ommegang niet door lopen.

Iets verder staat een glazen nis: de Maqam Ibrahim. Volgens de overleveringen staat hier de voetafdruk van Abraham in een steen waarop hij stond tijdens het bouwen van de Ka’aba. Het stond eerst naast de Ka’aba maar is verschoven om de enorme stroom van pelgrims niet te hinderen.

De tempel zelf gaat twee keer per jaar open om het binnen op te kuisen. Telkens een tweetal weken voor het begin van de vastenmaand Ramadan en net voor het starten van de bedevaart. Enkele hoogwaardigheidsbekleders mogen deze ceremonie bijwonen onder leiding van de Gouverneur van Mekka. Het kuisen gebeurt, wat had je gedacht, met Zamzam water waar een scheut rozewater aan toegevoegd is. De imam van de Al Buraq moskee in Mechelen heeft de onwaarschijnlijke eer gehad om binnen in de Ka’aba te mogen bidden.

Er doen allerlei fantastische verhalen de ronde over de Ka’aba: hoe de afmetingen perfect beantwoorden aan de gulden snede; dat de talrijke duiven nooit hun gevoeg doen op het gebouw enz. Dat deze verhalen al dan niet waar zijn, is van weinig belang en de beweringen zijn voor rekening van de schrijvers van deze kettingbrieven. Persoonlijk raad ik aan om weinig belang aan deze pseudo-wetenschap te hechten. Als hun doel is om het geloof van moslims kunstmatig omhoog te krikken dan schieten ze hun doel voorbij. De werkelijkheid is al magisch genoeg.

De belangrijkheid van de Ka’aba kan men afleiden uit het feit dat dit de plaats is waar moslims van over de hele wereld zich 5 keer per dag naar richten voor het gebed. Als een magneet die alle ijzerdeeltjes naar één richting doet wijzen en zo de eenheid van de groep versterkt.

Van mono naar poly
Na zijn dood werd Abraham begraven in een spelonk in Hebron. Ismaël, volgens de Bijbel, was bij de begrafenis, samen met zijn broers.
Genesis: “En Isaäk en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron”

De spirituele afstammelingen van Abraham en Ismaël in het Arabische Schiereiland werden hoenafa genoemd, van het enkelvoud hanif dat op orthodoxie en monotheïsme duidt. Abraham was jood noch christen noch moslim maar hanif. Dit is tevens de titel die hij in de Koran krijgt.

Het is redelijk om aan te nemen dat de pelgrimage oorspronkelijk werd gedaan door zowel de afstammelingen van Ismaël als van Isaäk, de Arabieren en Joden dus. Maar overtijd brachten pelgrims en handelaars van andere stammen hun eigen idolen mee als teken van respect en dankbetuiging voor de gastvrijheid. Toen deze idolen ook verschenen rond de Ka’aba en later ook binnen de Ka’aba zelf lijkt het aannemelijk dat de Joodse stammen -terecht- stopten met de bedevaart naar deze plaats. De referentie naar Bekka in de Psalmen is een indicatie van het belang van deze plaats, dat enkel als bedevaartsoord van dienst kon zijn.

Deze deviatie van het pad door idolatrie was niet exclusief het probleem van de afstammelingen van Ismaël. Ook de afstammelingen van Isaäk hadden hun problemen, maar het moet gezegd worden, idolen aanbidden was daar niet bij. Zo was er bijvoorbeeld een joodse groep die niet meer geloofde in het hiernamaals en de heropstanding uit de dood. Deze groep is gekend, en komt ook in het NT aan bod, onder de naam Sadduceeërs. Gelukkig was deze sekte relatief klein en bracht niet het hele jodendom in gevaar. De Arabieren op hun beurt stopten met het geloof in een leven na de dood. De verdere aftakeling van de oorspronkelijk religie uitte zich ook op andere vlakken: de bron Zamzam, waar het allemaal mee begon, was verloren gegaan. Een Jemenitische stam had Mekka veroverd en hadden bij hun gedwongen terugtrekking de bron dichtgegooid met stenen en zand als wraak.

Gezien er ondertussen al andere waterputten waren gegraven in de omgeving kwam het bij de bewoners niet op om de eerste bron, Zamzam, terug bloot te leggen. Misschien schrikte het zware werk hun af.

De Qoeraisj
In het jaar 400 voor Christus nam een machtige stam, de Qoeraisj, de stad Mekka over. De Qoeraisj waren afstammelingen van Ismaël. Onder hun bestuur ging het Mekka voor de wind. Ze namen hun taak als behoeders van de Ka’aba en bestuurders van de stad heel serieus en Mekka werd een bloeiend handelscentrum. Eén van de successen van Mekka als bedevaart- en handelsstad was dat in een omtrek van 32 km rond de stad het verboden was om geweld te gebruiken. En dus was dit de ideale plaats waar stammen hun twisten konden uitpraten en eventueel vrede sluiten. Een beetje zoals de Verenigde Naties vandaag.

Een van de achterkleinkinderen van de Qoeraisj, Hasjim, ontmoette in Yatrib, een stopplaats van de karavaan op 10 dagen rijden van Mekka, een dochter (genaamd Selma) van de plaatselijke notabelen. Uit dat huwelijk werd een zoon geboren, genaamd Shaybah, die bij zijn moeder en haar familie bleef wonen in Yatrib. Yatrib is trouwens een stad gesticht door Tema, een andere zoon van Ismaël.

De Jordaanse koninklijke familie draagt nog altijd de naam Hasjemiet en Jordanië is officieel het “Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië”. Zij waren de vroegere heersers van de Hijaz, het westelijke deel van het Arabisch Schiereiland waarbinnen ook Mekka en Yatrib vallen. Ze werden in de 20ste eeuw verjaagd door Mohammed Ibn Saud, de voorvader van de huidige Saudi heersers. Na hun verbanning regeerden de Hasjemieten over Jordanië, een troostprijs, naast Irak en Syrië dat ze ondertussen ook kwijtspeelden. Maar dit terzijde, het laat enkel zien hoe de geschiedenis doorwerkt in het heden.

Na de dood van zijn vader werd de jongen door zijn nonkel (zijn vader’s broer) vanuit Yatrib naar Mekka gehaald ter voorbereiding om zijn plaats in te nemen in de clan. Muttalib, de naam van de nonkel, kwam aan in Mekka met de jongen achter hem gezeten op zijn kameel. De mensen dachten dat Muttalib een nieuwe slaaf had en algauw noemden ze de jongen dan ook Abd Al Muttalib, de dienaar van Muttalib. Ondanks luid protest van zijn nonkel bleef deze naam hangen tot vandaag. Later werd de talentvolle Abd Al Muttalib hoofd van de Hasjemiet clan en zelfs van de hele Qoeraisj stam.

Abd Al Muttalib groeide op tot een devoot man en ontwikkelde al vroeg een fascinatie voor de Ka’aba. Toen op een dag een groot leger met olifanten van Jemen naar Mekka marcheerde liep hij naar de Ka’aba en vroeg God om Zijn heiligdom te beschermen. Wat ook gebeurde op wonderlijke wijze: de olifanten weigerden om in de periferie van Mekka binnen te stappen. Dit verhaal is in de Koran opgetekend als het Vers van de Olifant.
Abd Al Muttalib kwam regelmatig in de Ka’aba en soms bleef hij er ook slapen. En zo kwam het dat hij op een nacht een visioen kreeg dat hem de verloren lokatie van Zamzam liet zien en waarin hij de opdracht kreeg om de oude bron terug bloot te leggen. Abd El Mutallib kweet zich uitstekend van zijn taak en sinds die dag is Zamzam blijven stromen.

Mohammed
Abd Al Muttalib’s jongste zoon droeg de naam Abd Allah, te vertalen als dienaar van God. Abd Allah op zijn beurt trouwde met een lid van de Qoeraisj, Amina, die -zoals zijn grootmoeder- in Yatrib geboren was. Ze raakte in verwachting en tijdens haar zwangerschap werd de toekomstige moeder in een droom vertelt om haar baby “Mohammed” -de prijzenswaardige of bejubelde- te noemen. Als men het Hooglied in de Hebreeuwse versie leest dan komt men de naam Mohammed letterlijk tegen (uitgesproken als Moehammadim).

Mohammed’s vader stierf voor zijn geboorte, zijn moeder verloor hij enkele jaren later. De jonge Mohammed werd opgevoed door zijn grootvader en na diens dood door zijn nonkel. Op 25-jarige leeftijd trouwde hij met een weduwe, Khadija, die een vijftiental jaar ouder was dan hij. Ze waren de volgende 24 jaar erg gelukkig met elkaar en tot aan haar dood heeft Mohammed geen andere vrouw genomen, dit tegen de traditie in van de lokale stammen.

Het was gedurende een spirituele nachtelijke sessie in een grot, niet ver van Mekka, dat Mohammed aan zijn carrière als profeet begon. Hij kreeg hier via een aartsengel het allereerste deel te horen van wat later de Koran zou worden. Meteen was een nieuwe religie geboren, ter confirmatie van het christen- en jodendom, maar vooral als een terugkeer naar het monotheïsme van Abraham.

Toen de lokale notabelen de nieuwbakken profeet uitspuwden, als bedreiging voor their way of life, nodigde een groepje volgelingen uit Yatrib hem uit om daar zijn toevlucht te nemen. Ondanks zijn migratie, wat tevens het begin van de islamitische jaartelling markeerde, probeerden de Qoeraisj de profeet en de zijnen te vernietigen door verschillende expedities naar Yatrib te sturen. Maar niets hielp, de kleine groep hield stand en de stad Yatrib werd bekend als “Medina Nawi”, de stad van de profeet, afgekort tot Medina. De stad. En tot vandaag draagt ze deze naam.

De eerste moslims, net zoals de joden, richten zich naar Jeruzalem om te bidden, maar tijdens hun verblijf in Medina kregen ze van Godswege de instructie om zich te keren naar Mekka, naar de Ka’aba om precies te zijn. Een tijdje later kreeg de profeet het visioen dat ze in navolging van Abraham op bedevaart zouden moeten gaan naar Mekka. Het plaatste de Qoeraisj voor een dilemma: ongewapende pelgrims toelaten was precies hun kerntaak maar in het geval van Mohammed lag dat even anders. Dus bereikten ze een compromis dat de moslims pas het jaar erop de stad binnen mochten. En zo geschiedde. Het jaar daarop konden de islamitische pelgrims de Oemrah, de kleine bedevaart, maken. Anders dan de Hajj, de grote bedevaart, die enkel op de 10de dag van de 12ste maand kan worden gedaan, kan men de Oemrah op elke dag van het jaar uitvoeren. Nog een jaar later nam Mohammed op vreedzame wijze het bestuur van de stad Mekka over en reikte zijn hand uit naar de Qoeraish door dezelfde woorden uit te spreken als Jozef (Arabisch: Youssef, Hebreeuws: Yosef), de zoon van aartsvader Jakob (Jakob is op zijn beurt de kleinzoon van Abraham). Jozef was voor dood achtergelaten door zijn broers maar vergaf het hun met de volgende woorden volgens de Koran: “Er zijn geen verwijten tegen jullie op deze dag; Dat God u moge vergeven. God is de meest Barmhartige en de meest Genadevolle”

De vele idolen in en rond de Ka’aba werden één voor één vernietigd en de Ka’aba keerde terug naar zijn oorspronkelijk staat. Terwijl Mohammed de idolen vernietigde reciteerde hij ook hier de Koran: “De Waarheid is gekomen en de leugen is vergaan want het is eigen aan de natuur van de leugen om uiteindelijk zichzelf te vernietigen”
Het vernietigen van de idolen door Mohammed op een illustratie uit de 11ste eeuw:

Tot ieders verbazing keerde de profeet terug naar Medina na het gebed “O God, maak Medina zo dierbaar voor ons zoals U Mekka dierbaar hebt gemaakt, of zelfs dierbaarder. En zegen voor ons haar water en haar graan.” In zijn laatste levensjaar deed de profeet de grote bedevaart – de Hajj – zodat de rituelen van zowel de Oemrah als de Hajj door konden worden gegeven aan de volgende generaties moslims.

Het beloofde land
En dus is Mekka de stad van Abraham en Medina de stad van Mohammed. Tussen de twee heilige steden Jeruzalem en Mekka ligt dus Medina als derde heilige stad. Onze hedendaagse definitie van het Heilig Land is daarom veel te beperkt. Het zou niet alleen Palestina, Israël en de rest van de Levant moeten omvatten, maar het hele Arabische Schiereiland moeten behelzen. Met andere woorden daar waar nog altijd de nakomelingen van Abraham wonen en leven.

Moslims zouden terug de traditie moeten herstellen om tijdens de bedevaart alle drie heilige plaatsen aan te doen en zich niet laten tegenhouden door politiek. Waarmee kunnen we de Palestijnen een groter plezier doen, een grotere verbondenheid creëeren dan het heiligdom in Jeruzalem te bezoeken? Hoe anders kunnen we respect tonen voor onze broeders en zusters in het geloof van Abraham dan bij de overblijvende heilige muur te bidden van de tempel van Salomon of in de voetsporen te wandelen van Jezus op de Via Dolorosa? Dit zou een brug slaan over alle politiek, religie, ideologie en geweld -onze zelfgemaakte hel- heen. Zo eren we hem, onze gemeenschappelijke aartsvader Abraham. Het land van Kanaän, Hebron, Bethlehem, Nazareth… de geschiedenis terug levend maken in vrede, niet in bloed. Welke betere integratie van Israël en Palestina in de Levant, het Arabisch Schiereiland en het hele Midden-oosten dan er een primaire bestemming van te maken voor alle kinderen van Ismaël en Isaäk? Dit zijn onze steden, van ons allemaal, joden, christenen, moslims, kinderen van Abraham, genetisch en/of spiritueel. We moeten net als Hans en Grietje de sporen volgen van Hagar, Ismaël en Abraham all the way to Jeruzalem. En door dit te doen, nemen we de soenna (voorbeeld) over van onze eigen profeet Mohammed.

Wat deed hij op zijn wonderbaarlijke nachtreis die in Mekka begon en in Jeruzalem eindigde? Bidden in Jeruzalem vlakbij de klaagmuur! Moslims hebben jaren als gemeenschap in de richting van Jeruzalem gebeden. Dit is ons erfrecht dat we moeten heropeisen als kinderen van Abraham om terug een ware oecumene te vormen met joden en christenen.

Het belang van Jeruzalem is voor alle drie de godsdiensten duidelijk, elk voor zijn eigen redenen. Alleen is deze stad langzaam maar zeker uit het religieus geheugen van moslims aan het verdwijnen. Zoals ook Mekka uit het religieus geheugen van joden en christenen is gewist. Interessant genoeg is het symbool bij uitstek van Jeruzalem de islamitische Rotskoepel, de met bladgoud afgewerkte koepel op de tempelberg.

Medina is de stad van de moslims maar Mekka kunnen we niet voor ons alleen claimen. De joden hebben er recht op, de christenen hebben er recht op. De huidige machthebbers in Saoedi-Arabië zullen dat niet toestaan, ondanks het feit dat de stad ten tijde van de profeet een plaats was waar polytheïsten, monotheïsten, christenen en joden samen leefden. Het is natuurlijk zo dat de Saudis weinig bij te winnen hebben met de poorten te openen. Integendeel, woede en beschuldigingen van verraad zal hun deel zijn. En zo oogst het wahabisme wat het zelf gezaaid heeft. Wat dit betreft volgen ze het Oude Testament, Jesaja: “Geen onreine zal deze stad betreden”

De bedevaart
De bedevaart voor moslims is ingebed als één van de vijf zuilen van de islam.
De bedevaart is de verpersoonlijking van nederigheid, het gevoel van het heilige, de nabijheid van God, het cultiveren van liefdadigheid en zich afkeren van dit ondermaanse. De pelgrim gaat formeel in staat van “ihram” (zich wijden aan God en zich onthouden van al de rest) zodra hij of zij in de nabijheid komt van de heilige stad Mekka.

De ihram is een vorm van zelfsacralisering: men maakt zich de toestand van rituele zuiverheid eigen. Het woord “ihram” heeft dezelfde stam als “haram” dat zowel de betekenis van “heilig” als “verboden” heeft. (Egyptenaren noemen de piramides bijvoorbeeld “de haram”)

De toestand van ihram is een verinnerlijking en spiritualisering van rituele zuiverheid. Ihram is een ritueel om in een (echte of imaginaire) afgebakende ruimte voor een bepaalde tijd deze wereld te verlaten en zich maximaal te concentreren op het transcedente: namelijk God.
Gezien de islam geen priesterkaste kent (een imam is enkel een voorganger in het gebed) is de moslim als het ware zijn eigen priester tijdens het gebed. Hij of zij doet dat door eerst het lichaam ritueel te reinigen. Vanaf het moment dat het gebed begint verkeert de moslim in de staat van ihram. De ihram is niet enkel geldig in tijd (de duur van het gebed) maar ook in ruimte. De ruimte vóór de biddende moslim is sacraal. Daarom dat men niet voorbij het nabije zichtsveld van een biddende moslim loopt om deze sacrale toestand en concentratie niet te verbreken.

Een moslim verbreekt het gebed, en dus de staat van ihram, door letterlijk het gezicht af te wenden van zijn oriëntatiepunt: Mekka. Hij keert terug naar deze wereld en verlaat de trance en focus op het sacrale punt in Mekka. De moslim sluit het gebed af met een universele vredesgroet, met andere woorden, hij geeft uitdrukking aan de wens dat er vrede moet heersen in de wereld waarnaar hij net is teruggekeerd.

De ihram voor de Hajj, die verschillende dagen duurt, is in principe hetzelfde maar van een andere grootte-orde.
Terwijl de ihram van het gebed van de moslim een priester maakt, maakt hij van de pelgrim een monnik. In de dagen gedurende de Hajj leeft de moslim als een monnik.

De mannelijke pelgrim wikkelt zich in twee witte doeken zonder zoom, die later ook als zijn doodskleed dienst doet – denken aan de dood moet constant in het achterhoofd blijven van de pelgrim. De pelgrim mag geen hoofdeksel dragen en houdt vooral zijn tong in bedwang, niet omwille van de stilte maar om zinloos geklets te vermijden. Het is verboden om dieren te doden, zelfs geen insecten, tenzij er gevaar dreigt voor het eigen leven.

Ondanks het feit dat moslims zich van kop tot teen bedekken en gescheiden bidden bleef de traditie van Abraham ook hier overeind tijdens de bedevaart: gezicht en handen mogen niet bedekt worden, mannen en vrouwen bewegen en bidden quasi door elkaar in de moskee.

De bedevaart linkt de pelgrim vanuit het hier en nu met een klap 4.000 jaar en verder terug – ver, heel ver voorbij Mohammed, Jezus en Mozes. Het drinken van water uit de oude bron Zamzam, de rondgang, de zoektocht van Hagar naar water imiteren, enz maakt dat een mens zich letterlijk in de schoenen plaats van de patriarch en de zijnen. Het feit dat je in het geografisch centrum staat waar alle moslims zich, waar ook ter wereld, dag en nacht in massa naar toe richten is overdonderend. Pelgrims die voor de eerste keer op bedevaart gaan beschrijven dit gevoel als teruggaan naar de kindertijd. Het is een andere islam dan die ze dagdagelijks kennen zoals bidden en vasten. Elk ritueel dat ze uitoefenen is voor de eerste keer in hun leven. Ze moeten als het ware bij de hand worden genomen als een kind en stap voor stap begeleid worden.

En dan is er dat overweldigende gevoel van de aanwezigheid van God, in uiting gebracht in het constant herhalen van “Labbaik Allahuma labbaik” (hier ben ik O Heer, hier tot Uw dienst) dat ook in de pre-islamitische tijden onveranderd werd gebruikt, heel anders dan het islamitische “salaam alaykoem”, dus ook hier een teken van terugkeer naar Abraham. En zelfs voor Abraham was de bedevaart een terugkeer naar vroegere tijden. Dus de terugkeer naar Abraham is maar één tussenstap, of liever gezegd het beginpunt van de bedevaart.

Nadat ze zevenmaal rond de Ka’aba zijn gegaan wandelen de pelgrims tussen de heuvels Safa en Marwa zevenmaal heen en weer. Als ze het punt naderen dat het dichtste tegen Zamzam ligt lopen ze iets sneller, ook hier een nabootsing van Hagar die de bron ontdekt en er in looppas op af gaat. Al die miljoenen pelgrims lijken zo uit de pagina’s van Genesis gestapt -het verleden wordt als het ware geacteerd en zo tot leven gebracht- om Abraham te eren en getuige te zijn dat hij de eigenlijke kern van islam vormt. Dus naar Mekka gaan is naar Abraham terugkeren.

Op de achtste dag gaan de pelgrims in de richting van de berg van Arafat, waarvan het hoogste gedeelte bekend is als de Berg van de Genade. Dit is buiten het eigenlijke heilige gebied rond Mekka en het verste punt dat de pelgrims zich zullen wagen van de stad. Arafat is de berg van Adam. Pelgrims vragen hier aan God om hun dezelfde genade en vergiffenis te schenken als aan Adam na de (zonde)val. De pelgrims blijven hier tot een half uur na zonsondergang om daarna naar een tentenkamp te gaan dat terug binnen het heilige gebied ligt.

De volgende stap is het symbolisch stenigen van Satan door kiezeltjes tegen een paal te gooien. Ook hier herdenken moslims het verwerpen van de verleidingen van Satan door Abraham, Ismaël en Hagar toen hij probeerde om ze te overtuigen hun zoon niet te offeren. In het Arabisch is een titel van Satan “Ar Rajiem”, de gestenigde, omdat steniging de extreemste vorm van afkeuring was in de oudheid.

Na het symbolisch stenigen van Satan offeren ze (een deel van) een dier. De enorme berg vlees gaat bijna integraal naar ontwikkelingslanden (een mega-operatie waarbij zo’n twintigduizend mensen worden ingeschakeld om het in goede banen te leiden).
Het offerfeest is een gedenken van het Abrahamische offer dat symbool staat voor ultieme gehoorzaamheid en opperste liefde voor God. Abraham was bereid om zijn enigste kind, een geboorte waar hij zijn hele leven op gewacht heeft en dus zijn oogappel, op te offeren. Een beproeving die hij met glans doorstaan heeft (Moslims gaan ervanuit dat het over Ismaël gaat op grond van het feit dat hij de oudste zoon was hoewel de Koran er geen uitspraak over doet terwijl de Bijbel het bij Isaäk houdt).

Het offer is een courant voorkomende religieuze praktijk overal ter wereld omdat het verwijst naar een beproeving. Er kan nu eenmaal geen sprake zijn van totale liefde voor God als er geen volledige overgave is. Wat ons terugbrengt naar de betekenis van het woord “islam”: overgave.
Desondanks het belang van het offer bestaat er in de islam, anders dan bijvoorbeeld in het christendom, geen altaar wat wijst op het spirituele belang van de offergave. Een altaar vereist een priester (offeraar aan God) die de offerhandeling kan maken, zoals het Misoffer in het katholicisme. Zoals we eerder gezien hebben bestaan er geen priesters in de islam.

Na nogmaals zeven rondes rond de Ka’aba is de bedevaart afgelopen.

Hoewel Arafat een spiritueel verlengstuk is van Mekka, staat het symbool voor de wereld: dit tranendal waar de ziel in een lichaam gevangen zit. Terwijl in Mekka de Zwarte Steen het eigenlijke centrum vormt. De steen staat symbool voor het Paradijs. En het einddoel van de moslim is het paradijs.

Midden jaren zeventig deden ongeveer 400.000 pelgrims per jaar de Hajj. Vorig jaar kwamen officieel 1,8 miljoen buitenlandse pelgrims, waarvan 54% mannen en 46% vrouwen, uit 178 landen naar Mekka. In de praktijk zijn er meer dan drie miljoen pelgrims.
Omdat er organisatorische limieten zijn aan het aantal mensen die de stad tegelijkertijd aankan, mag per land elk jaar slechts 1% van de islamitische bevolking op bedevaart gaan. Een 6 tot 7.000 mensen voor België dus. Dus helaas kan de meerderheid van moslims de bedevaart nooit uitvoeren.

Islam als de godsdienst van Abraham
Er zijn nog vele andere aanwijzingen, buiten de bedevaart, dat islam een terugkeer is naar Abraham:
- De eerste prediking van de profeet Mohammed was een oproep om het monotheïsme zoals door Abraham beoefend in ere te herstellen
- Moslims bidden zoals Abraham, met het aangezicht op de vloer (zie Genesis; idem dito voor Jezus trouwens)
- Abraham wordt ritueel gegroet tijdens het gebed
- Mannelijk moslims besnijden zich, net als Abraham om het verbond met God te eren. Dat gebod staat niet in de Koran maar komt rechtstreeks uit het Oud Testament (Genesis)
- Moslims herdenken het offer van Abraham met het overbekende offerfeest

Er is een uitspraak van de profeet Mohammed dat de mensheid de bedevaart naar Mekka zal blijven uitoefenen tot het einde der tijden. De oproep van onze geliefde profeet Abraham wordt beantwoord tot in alle uithoeken van de wereld en dit zolang de mensheid zal bestaan. Wat een formidabele traditie.

Tot slot
Islam heeft recent een kwalijke naam gekregen, maar het pleit voor moslims dat ze een 4.000 jaar oude traditie in ere hebben herstelt die nu ononderbroken verdergaat. Ze hebben dit met zoveel ijver en overgave gedaan dat het nog altijd zijn sporen nalaat in de taal. In het Nederlands gebruiken we Mekka voor elk centrum dat zijn gelijke niet kent, zoals in het “mekka van de muziek”.
Ook het woord “profeet” is sterk in ons collectieve geheugen verankerd als associatie voor Mohammed terwijl het woord “bedevaart” bijna een synoniem is geworden voor de Hajj. In die zin hebben moslims ware archetypes gecreëerd. Daar moeten moslims als spirituele erfgenamen van Abraham zonder meer trots op zijn.